Al in dit stil en vredig oord,
waar land de roer zich spoedt.
als of zij voor de avond valt
de zee bereiken moet.
Daar waar zo menig dennebos
voor storm en vlagen schut,
daar heeft ons voorgeslacht gebouwd,
de vaderlijke hut,
daar heeft ons voorgeslacht gebouwd,
de vaderlijke hut.
Hier dreef de landman spa en ploef
door zomp en heidegrond
Nu velt de zei de korenhalm
waar eerst slechts heide stond
Het Broek, de Muitert en de Oo
met welig gras en graag
Ze doen ‘t hart van elke boer
al snel en sneller slaan
Ze doen ‘t hart van elke boer
als snel en sneller slaan
In ‘t lommer van de molenberg
en van het Hammerbos
Daar rust de moede wand’laar op
een donzig bed van mos
Daar is vinkgefluit en merelzang
en nachtegalenlied
Neen, in de hele omtrek vindt
g’een mooier plekje niet
Neen, in de hele omtrek vindt
g’een mooier plekje niet
Hier dwaald`‘ik aan mijn vadershand
en sneed de wilgenfluit
In `t oude kerkje voor `t altaar
daar knield`ik naast mijn bruid
Waar ik mij ook op aard bevind
tot in mijn laatste stond
Neen, Herkenbosch vergeet ik niet
`t is mijn geboortegrond
Neen, Herkenbosch vergeet ik niet
`t is mijn geboortegrond




